Motoriek

Motoriek onder de loep

Graag willen wij u iets vertellen over motoriek bij kinderen en waarom wij daar op school aandacht aan besteden.

Er wordt over 2 soorten motoriek gesproken, namelijk de grove en de fijne motoriek. Bij de grove motoriek gaat het om de grote en grove bewegingen die je met je lijf maakt. Dit betekent bijvoorbeeld lopen, fietsen, huppelen, klimmen, balanceren e.d.

De fijne motoriek zijn meer de kleinere bewegingen die je met je handen en vingers maakt bijvoorbeeld bij tekenen en schrijven en ook met het oppakken van kleine dingetjes.

Waarvoor heb je het nodig?

Je hebt een goede motoriek nodig om gecontroleerde bewegingen uit te kunnen voeren, zonder dat je zelf valt of dingen laat vallen.

De grove motoriek is belangrijk omdat je, wanneer je deze niet of onvoldoende beheerst, onhandig over zal komen. Je zult dan vaak vallen, tegen obstakels aanlopen en plotseling ongecontroleerde bewegingen maken.

De fijne motoriek is belangrijk om te leren schrijven, netjes te kleuren en om kleine voorwerpen te kunnen pakken.

Op school doen wij veel oefeningen die de grove en fijne motoriek stimuleren. Thuis kunt u ook spelenderwijs de fijne motoriek van uw kind oefenen.
We geven u graag wat tips. Het zijn tips die niet alleen zinvol zijn, maar ook heel leuk zijn om te doen!

Oefeningen om de fijne motoriek te stimuleren op school en thuis.

  •   met je vingers op tafel tikken
  •   met je duimen draaien
  •   piano spelen (net alsof)
  •   spreid- sluit met je vingers
  •   knikkeren
  •   plukjes van klei trekken
  •   oprollen van een bolletje wol/ lint
  •   schuim kloppen (met zeep/ garde)
  •   roeren en klutsen (tijdens het koken)
  •   schroefjes en moeren los en vast draaien
  •   bovenstaande met een schroevendraaier
  •   punniken, borduren, vlechten
  •   tolletjes draaien
  •   mini- steck
  •   sjoelen
  •   vingerhaken
  •   knopen ontwarren
  •   mandarijntjes pellen
  •   propjes frommelen
  •   muizentrapjes vouwen
  •   een handvol munten/ knikkers één voor één in een potje doen
  •   met je vingers knippen
  •  een vuist maken en dan één voor één terugtellen met je vingers
  •   met knijpers de was ophangen
  •   vingervoetballen met een klein balletje
  •   autootje rijden van links naar rechts over de tafel waarbij de onderarm op de tafel       blijft
  •   strepen tekenen van links naar rechts waarbij de onderarm op de tafel blijft
  •   schaduwfiguren maken met je handen
  •   slakkenhuisjes tekenen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *